Floor neemt als soigneur een kijkje in de keuken van een wielerploeg

“Wil je mee? Naar Spanje? Ik kan nog wel een soigneur gebruiken!”

 

De meid die ik net een week kende en de enige vrouwelijke mechanieker is bij een (vrouwen)wielerploeg overweldigde me in haar enthousiasme met deze vraag.
Want wat die term precies betekende wist ik niet, maar mee naar Spanje in een jaar waarin (bijna) niemand naar het buitenland kon, daar hoefde ik geen tweede keer overna te denken.

Soigneren, zo bleek later, is meer dan zorgen dat je wielerkleding matcht en je benen geschoren zijn.
Het soigneren van een wielerploeg bleek hele andere vaardigheden van me te vragen dan een beetje mode-gevoel en algemene kennis van een gezond eetpatroon.
 

 

We zouden 10 dagen weggaan richting het Baskenland, om daar twee (prof)koersen te rijden en de rest van de tijd te benutten als trainingskamp. De staf zou met de ploegbus en -auto, tot de nok gevuld met fietsen, materialen en bagage, richting het zuiden trekken. De meiden zouden twee dagen later met het vliegtuig arriveren.
We verbleven in een dorpje ongeveer 40km onder Bilbao, Orozko heette het. Het huis stond net iets buiten het dorp op een berg. Nu is dat geen verrassing, aangezien de hele omgeving uit bergen bestaat.

 

Het huis stamde uit de 18e eeuw, zo vertelde de eigenaresse. We waren niet verbaasd, het leek alsof er sinds die tijd ook niks aan onderhouden of vervangen was. Dat deed er verder niet toe, want Het Paleis, zoals het huis in het dorp genoemd werd, had genoeg kamers en een grote tuin mét zwembad om de 10 rensters en 4 stafleden een prettig onderkomen te bieden.
Na twee dagen acclimatiseren was het tijd voor de eerste koers: GP Eibar.
Dit zou voor mij ook de eerste keer zijn dat ik mijn taak mocht uitvoeren: soigneren. De dagen ervoor fungeerde ik vooral als hulpje van de kok (wat ik overigens ook leuk vond).

 

Het was niet alleen mijn eerste keer als soigneur bij een wielerkoers, maar überhaupt de eerste keer dat ik een profkoers bijwoonde.
Vóór de koers begon, moesten er al een aantal dingen voorbereid worden. De meiden moesten voor en tijdens de koers van bidons voorzien worden, om hun koolhydraat-, water- en electrolyten levels op peil te houden. Ook moesten de benen ingesmeerd worden met olie om opspattend water geen kans te geven ze af te koelen. Vlak voor de start diende ik ook hun jasjes en overbroeken als een ervaren pitcher te vangen, zodat zij zo lang mogelijk warm konden blijven. Na wat Spaans en Baskisch gebrabbel mochten ze, omringd door de wereldtop, eindelijk los!

 

Wij reden snel met de bus naar de plek voor de ravitaillering (een té moeilijk woord als je het mij vraagt, ik houd het op bevoorrading). De plek was strategisch gelegen op een klim, waar we wachtten tot het peloton langs zou razen met handen die naar bidons zouden reiken, voorgegaan door minstens 30 motoren. En langs razen deden ze, maar het aangeven van mijn eerste bidon liet helaas nog een koers op zich wachten.
Als soigneur ben je ook een beetje moeder, dus was het mijn taak om geloste rensters als verloren kinderen langs het parcours op te halen. Tegelijkertijd was de koers bijna ten einde en wilden de gefinishte rensters warm en droog in de bus kunnen zitten. Tijdsdruk ten top dus.
Eenmaal thuis was mijn rol nog niet vervuld. Net als de dagen ervoor, mocht alle kleding weer gewassen worden, moesten alle wonden verzorgd worden (ik zal je de details besparen...) en moest er eten gehaald en gekookt worden. Want geloof me, 14 mensen eten veel, maar als 10 daarvan rensters zijn, (vr)eten ze je kaal.
Na een dag “rust” stond de volgende koers op het programma: Durango-Durango. Een profkoers waar wederom van der Breggen en van Vleuten aan de start stonden. Het beloofde een zware koers te worden, en jeetje wat ik ben ik blij dat ik toen niet in hun plek hoefde te fietsen. De koers verliep soepel, er waren geen grote valpartijen en ik heb mijn allereerste bidon mogen aangeven! Al met al een goede koers.

 

Hoe nieuw, indrukwekkend en leuk die eerste dagen ook mochten zijn, het weer had er nog niet bepaald zin in. Na 6 dagen liet de zon zich eindelijk zien, iets wat ik in Spanje toch wel eerder had verwacht. Dit was de uitgelezen kans om zelf eindelijk een langer ritje te maken. Na maanden van ritjes gevuld met regen, hagel en harde wind, was het bijna onwennig om te zweten tijdens een van de klimmetjes. Zelfs voor een anti-klimgeit als ik, was het genieten!

Mijn rol als moeder werd de laatste paar dagen nog wat intensiever, toen de kok een knie-ontsteking kreeg en zijn taken niet langer kon volbrengen. Soigneur en kok in één dus.

 

Na 10 dagen restte ons alleen nog de terugweg, waar we met een laatste blik op de Golf van Biskaje het heuvelachtige Baskenland achter ons lieten. Moe van 16 uur rijden zag ik eindelijk de Stad weer opdoemen aan de horizon. Thuis!